“Indien u verlangt dat uw ziel wordt gered, bid tot de H. Maagd Maria dat zij uw Voorspreekster mag zijn. Zij zal uw heil waarborgen.” (pater Charbel) ‘De wijze is hij die zijn ziel redt!’ (uitspraak van een medepater van pater Charbel)
Leven
In Biqa-Kafra, het hoogstgelegen dorp van Libanon, wordt op 8-5-1828 Youssef (Jozef) geboren als vijfde kind van Antoine Makhlouf en Brigitta Choudiac. De familie behoort tot de Maronieten, leden van de oosterse katholieke Kerk, gesticht door de heilige Maron, uit de 4e-5e eeuw. Deze Libanese christenen zijn fier op hun geloof en hebben een grote devotie voor de Maagd Maria, die in de litanie ‘Libanese ceder’ wordt genoemd. Moeder Brigitta bewaart standvastig het geloof in het gezin door devoot de H. Mis bij te wonen en dagelijks de rozenkrans te bidden. Twee van haar broers zijn monniken en leven in een kluis op vijf kilometer afstand van haar dorp. In 1831 wordt vader Antoine, op de terugreis van een legermissie, ernstig ziek en overlijdt. Na maanden wachten begrijpt Brigitta dat zij weduwe is. Om in de behoeften van haar gezin te kunnen voorzien, trouwt zij twee jaar later met een vrome man uit het dorp. Kort daarna wordt deze, met toestemming van Brigitta en overeenkomstig de bijzondere regeling van de oosterse Kerken, tot priester gewijd. Youssef is zijn trouwe misdienaar. Na de kerk gaat het kind naar school waar het leert lezen, schrijven en bidden in het Oudsyrisch. Youssef werkt ook op het land en weidt de kudde. Hij geniet van de schoonheid van de natuur en alles spreekt hem van God. Hij trekt zich graag terug in een grot om te bidden bij een Mariabeeldje. Vaak bezoekt hij zijn kluizenaarsooms. Hij doorkruist de Qadisa, de Heilige Vallei, waar talrijke kluizenaars al sinds de 4e eeuw hebben gewoond. Op een dag, op zoek naar zijn verdwaalde geit, komt Youssef terecht in een klein cederwoud en stopt om te bidden bij een in een boom uitgeholde bidplaats. Plotseling hoort hij een stem die zegt: “Laat alles achter, kom! Volg mij!” Resoluut besluit hij tot het religieuze leven toe te treden. Op een ochtend in 1851 verlaat hij discreet de gezinswoning. Uit vrees voor zijn oom en voogd, die niets wil weten van een monastiek leven, en uit liefde voor zijn moeder en zijn familie vertrekt hij liever in het geheim om de emoties over zijn vertrek te vermijden.

Hij gaat naar het Maronitische klooster Notre Dame de Mayfouq en wordt postulant. Al na een paar dagen wordt Youssef als novice ingekleed en kiest de naam Charbel, naar een martelaar uit de 2e eeuw. Na een zoektocht vindt zijn familie hem. In een roerig onderhoud toont Charbel zijn verdriet dat hij zijn familie leed heeft aangedaan, maar hij is zeker dat de Heer hem tot deze levenswijze roept. Dan stemt moeder Brigitta met smart ermee in en belooft de Heer te bidden om van hem een heilige te maken. Charbel leert de gebeden en de liturgie en doet allerlei werk. Hij is ijverig en stilzwijgend gehoorzaam.

Na een jaar wordt hij overgeplaatst naar het afgelegen sobere klooster St. Maron d’Annaya. In 1853 legt hij zijn geloftes van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid af en ontvangt het habijt. Daarna gaat hij voor priester studeren in het klooster St. Cyprianus van Kfifan en op 23 juli 1859 wordt hij priester gewijd. Hij keert terug naar het klooster St. Maron d’Annaya, waar hij door alle bewoners van het dorp en zijn moeder wordt verwelkomd. Pater Charbel bidt veel. Hij verleent geestelijke zorg en verricht handenarbeid. Na enkele jaren voelt hij zich geroepen tot het kluizenaarsleven. Zijn overste aarzelt, en geeft hem een dik dossier met de opdracht: ‘Zou u hiervan een rapport kunnen maken? Het is tamelijk dringend. Het is u toegestaan ’s nachts door te werken.’ De pater gaat aan het werk en laat in de keuken de lege olielamp bijvullen. Voor de grap vult de bediende de lamp met water. De pater steekt de lamp aan en tot verbazing van de bediende brandt de lamp als gewoon! Hij snelt naar de Overste en meldt het wonder. Dit overtuigt de Overste dat het geestelijk leven van pater Charbel authentiek is en hij staat hem toe zich terug te trekken in de kluis, die is toegewijd aan HH. Petrus en Paulus. Hij zal er drieëntwintig jaar leven en er slechts uitkomen voor een paar speciale opdrachten voor het welzijn van de zielen. De mensen zien nooit zijn gezicht, hij houdt altijd zijn hoofd naar beneden. Hij heft zijn ogen enkel op naar de hemel en in de kerk is hij altijd gericht op het tabernakel. Hij bidt veel, elke dag de rozenkrans, offert de H. Mis op en verricht handenarbeid. De mensen vertrouwen hem hun noden toe en hij schenkt liefde en vreugde aan de mensen. Door zijn gebed gebeuren vele wonderen.
Enkele wonderen
Als in de omgeving een sprinkhanenplaag de oogst bedreigt, draagt de Overste hem op wijwater te zegenen, daarmee door het land te gaan en het te besprenkelen. Overal waar pater Charbel de akkers heeft besprenkeld blijft de oogst gespaard.
Pater Charbel spreekt ten goede voor alle mensen die hem worden aanbevolen of die naar hem worden toegebracht. Een man die zijn verstand kwijt is en voor zichzelf en voor de anderen een gevaar is geworden, wordt naar de kluis gevoerd.
Pater Charbel beveelt de man hem te volgen naar de kapel waar hij boven diens hoofd het Evangelie leest. Terstond is de man genezen!
Zijn overlijden – een acht-dagen-durende offerande tot Kerstmis
Op 16 december 1898 tijdens de Offerande in de H. Mis wordt hij onwel en moet terug naar zijn cel. Hij ligt 8 dagen op sterven, waarbij hij de woorden van de Mis die hij heeft moeten onderbreken herhaalt (“Heer, neem deze offerande aan…”) en zichzelf offert aan de Vader. In de nacht van 24 december overlijdt hij en zijn lichaam wordt naar de kloosterkerk gebracht. Bij zijn begrafenis en ook maanden later, zien velen een fel licht uitgaan van zijn graf. Daarop wordt zijn graf geopend en zijn lichaam blijkt ongeschonden. Daarna begint er een bloedachtige vloeistof te vloeien van zijn lichaam. In 1950 en 1952, dus ongeveer een halve eeuw na zijn overlijden, was zijn lichaam nog steeds intact, en hij zag eruit alsof hij nog leefde. Toen men in 1976 het graf opnieuw opendeed was zijn lichaam wel vergaan: men vond enkel een geraamte. Weldra en nu nog vinden talloze wonderen plaats op voorspraak van pater Charbel: velen worden genezen of komen tot bekering. Op 9 oktober 1977 is hij heilig verklaard. Zijn liturgische gedachtenis is op 24 juli. Het klooster van St. Maron in Libanon is nu een beroemd bedevaartsoord.

De foto
Toen pater Charbel overleed bestond er nog geen foto van hem. Op wonderlijke wijze heeft hijzelf voor 2 foto’s gezorgd: op 8 mei 1950, de 122ste geboortedag van pater Charbel, waren 4 Maronitische monniken op bedevaart naar zijn graf en maakten een foto bij het klooster. Bij het ontwikkelen verscheen een extra monnik op de voorgrond: oudere paters uit het klooster herkenden hierin hun medepater Charbel. Huidige portretfoto’s zijn op deze foto gebaseerd.
